‘Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan’. Geen beter motto dan dat van Pippi Langkous om het avontuur van ons leven aan te vangen: de ultieme roadtrip door Zweden. Vier weken. Meer dan 6000 kilometer. Van de zuidwestkust helemaal tot in Lapland. Langs bossen, fjällen, rode huisjes, ontelbaar veel meren en een landschap dat zo oneindig is dat zelfs de stilte er een echo heeft. Sowieso al een gigantisch avontuur, maar we besloten om nog één klein detail aan deze grootse onderneming toe te voegen: onze twee maanden oude baby. Nu kör vi (oftewel: let’s go)!
De westkust

We kunnen onze nek bijna niet ver genoeg strekken wanneer we met z’n drie op de voorste rij van ons busje over de indrukwekkende Oresundbrug bollen. Met ABBA op de achtergrond rijden we vanuit Denemarken enthousiast het rustige Zweden in. Aan de overkant ligt een gigantisch lappendeken van bossen en meren op ons te wachten, spaarzaam bespikkeld met schattige ‘Villa Kakelbont’-huisjes. Maar voor we de diepe dennenbossen intrekken, snuiven we eerst nog eens goed de zilte zeelucht op. Boven Göteborg ligt Bohuslän, een kuststrook vol gezellige vissersdorpen. Piepkleine houten huisjes klampen zich er krampachtig vast aan de gladde rotsen, terwijl een eindeloze toevloed aan zeilboten een weg probeert te zoeken tussen de honderden eilandjes. Het is onze eerste kennismaking met het lome ritme van een warme Zweedse zomer. De tijd lijkt haast stroperig wanneer we met z’n drietjes drentelen tussen de grillige granieten rotsen, smikkelen van een dagverse visvangst en ons vervolgens zelf rechtstreeks de zee in laten glijden.


Met een baby van twee maanden krijgt je reis als vanzelf een andere hartslag. Waar we vroeger op zoek gingen naar de meest spectaculaire wandelingen, blijken we ineens experts in het vinden van rustige picknickplaatsen en fantastische restaurantjes met voldoende ruimte voor een kinderwagen. Dat klinkt misschien als een compromis, maar dat is het zeker niet. Want wanneer je urenlang met een slapende baby op een afgelegen rots zit, terwijl onder je voeten de zee tegen de Zweedse kust aan klotst en de zon langzaam achter de horizon wegsmelt, waan je je zonder meer in het paradijs. Over welk compromis hebben we ‘t dan?


Niet te missen plekjes aan de westkust:
- Smögen
- Fjällbacka
- Marstrand
- Dyrön
- Hovenäset
- Skärhamn
- Grebbestad
Värmland

Maar genoeg zitten zonnebaden aan de Zweedse zee. Wie het land van de duizend-en-een meren wil ervaren, moet vooral verder landinwaarts rijden. En voor wie door de bomen het bos niet meer ziet: dat doe je ‘t best in Värmland. Honderden kilometers aan bossen domineren hier het landschap. Ze slokken wegen, water en dorpen op. Een zee van groen die in alle stilte het hele landschap overspoelt. Wie goed zoekt vindt tussen al die bomen ook nog eens ontelbaar veel meren. Sommige niet groter dan een vijver, andere zo uitgestrekt dat je je afvraagt of je niet per ongeluk opnieuw richting de kust gereden bent. Värmland geniet nauwelijks internationale bekendheid, maar het lijkt wel alsof dit landschap rechtstreeks uit het collectieve geheugen is geplukt. Dit is het Zweden waar iedereen van droomt!


Met een knetterend kampvuur op de achtergrond wiegen we met ons zoontje in de hangmat op het ritme van de dag. Rallentando, alsmaar trager. De aardappelen liggen te knisperen op het vuur, een goed boek in de hand, en onze ogen altijd afdwalend naar de horizon, hopend op een glimp van de ongrijpbare koning van het bos: de eland. In een tijdperk waarin natuur vaak wordt geconsumeerd als een attractie, voelt Värmland bijna radicaal rustig.
Nationaal park Fulufjället

Net wanneer je denkt dat Zweden écht enkel uit bos en water bestaat, gooit het land je onverwacht alsnog een ‘curveball’ toe: Zweden blijkt helemaal niet zo eentonig te zijn! Na de westkust en het heerlijke cliché-bevestigende Värmland, leidt de weg ons verder naar ‘t noorden en krijgt Zweden opeens een ander gezicht. Bossen ruimen steeds meer baan voor open vlaktes, dorpen komen in tegenstelling tot de hoogtelijnen steeds verder uit elkaar te liggen, en het landschap wordt lekker ruig.

Verwacht hier geen scherpe bergpieken of spectaculaire fjorden, maar een landschap dat uitblinkt in al zijn eenvoud. Uitgestrekte hoogvlaktes, heldere rivieren en eindeloze vergezichten doen ons elkaar om de haverklap met de elleboog porren, “omdat dit nu toch echt wel Canada of Alaska lijkt!”. Geen overdreven vergelijking, want vanaf hier bevind je je ook wel degelijk in ‘bear country’: er leven in Zweden zo’n 2000 bruine beren. ‘Be bear aware’ dus!


Deze wilde landschappen liggen er al eeuwenlang praktisch onaangeroerd bij. Old Tjikko, een spar met bijna 10.000 jaar op de teller, toont hoe diepgeworteld het harmonische samenleven van mens en natuur in Zweden is. Het zit namelijk diep ingebakken in de Zweedse cultuur, het concept van ‘Friluftsliv‘, vrij vertaald als ‘Leven in de buitenlucht’. De Zweden hechten erg veel belang aan het actief opzoeken van de natuur, of zomaar buiten zijn, zonder er ook maar enige vorm van prestatiedrang aan te koppelen. Weer of geen weer: zodra het enigszins kan, trekt men naar buiten. “Er bestaat namelijk geen slecht weer, alleen slechte outfits!”


Ook wij laten hier de auto even aan de kant om ons aan de eerste deftige hike, inclusief draagzak, te wagen. Nationaal park Fulufjället moet je namelijk te voet beleven. Zo wandel je in een klein uurtje naar Njupeskär, de hoogste waterval van Zweden. Met een hoogte van 93 meter stort het water met veel geweld naar beneden. Een oorverdovend gebulder in een verder muisstil decor.
! Let op: de wandeling naar de Njupeskär-waterval wordt aangeduid als rolstoel- en buggy-vriendelijk, maar dat is hij momenteel (zomer 2025) zeker niet. Er wordt een houten pad aangelegd, dus misschien is dit in de toekomst beter. Meer informatie over het park vind je hier.
Proeven van Lapland: de Wilderness Road

Minuut per minuut blijven de groene bossen plaats ruimen voor legere landschappen. Een kaal Zweden geeft zich prijs wanneer we steeds verder noordwaarts rijden, helemaal tot boven de boomgrens. Voor veel reizigers is Lapland de grote aantrekkingskracht van Noord-Zweden, maar de weg ernaartoe blijkt minstens even indrukwekkend als de bestemming zelf. De Wilderness Road, of Vildmarksvägen, is een van de meest legendarische autoroutes van Scandinavië. Legendarisch is daarbij een relatief begrip. Waar zo’n titel overal elders ter wereld files, souvenirwinkeltjes en parkeerproblemen zou opleveren, betekent dat in Zweden vooral dat je héél misschien eens een andere dappere reiziger tegen het lijf loopt. Toerisme in Zweden is vooral toegespitst op het warme en lommerrijke zuiden, of het ruige koude Noorden. Alles wat daartussen ligt is wat ze in Amerika ‘flyover country’ zouden noemen, maar gefundenes fressen voor wie houdt van uitgestrekte gebieden en een zeker gevoel van verlatenheid. Road trip heaven, als je ‘t ons vraagt.



Over een traject van honderden kilometers slingert de Vildmarksvägen zich door een uitgestrekt natuurgebied en verdwijnen de dorpen langzaam uit het landschap. Tankstations worden schaars, tegenliggers zijn er nauwelijks en opnieuw overheerst de stilte. Bergen verheffen zich langzaam maar zelfzeker uit het landschap. En de spiegelmeren zijn er zo glad dat je niet meer weet wat nu boven of onder is.

Het letterlijke en figuurlijke hoogtepunt van de route is zonder twijfel de Stekenjokk-hoogvlakte. Plots verdwijnt het vertrouwde Zweedse landschap en waan je je even in het bergachtige buurland Noorwegen. Zelfs midden in de zomer liggen hier nog sneeuwvelden tegen de bergflanken geplakt. Rendieren kuieren rustig rond en zijn zich nauwelijks bewust van het natuurspektakel om hen heen. En waar rendieren zijn, vind je de Sami: een van oorsprong nomadisch volk dat het Noord-Europese Samiland bewoont. Vroeger waren ze ook wel bekend onder de naam ‘Lappen’, maar die term wordt door de Sami als beledigend ervaren.
Höga Kusten

We besluiten om Samiland voor een volgende keer te sparen en Zweden horizontaal te doorkruisen, van de grens met Noorwegen helemaal tot aan de Botnische Golf. Na dagen ronddwalen door de uitgestrekte bossen van het Zweedse binnenland worden we blij van de eerste glinsteringen aan de horizon. We bereiken de oostkust, en alweer toont Zweden ons een nieuw gelaat. De Hoge Kust, of Höga Kusten, behoort tot één van de meest indrukwekkende natuurgebieden van Scandinavië. Tijdens de laatste ijstijd werd dit gebied door een gigantische ijsmassa naar beneden gedrukt. Toen het ijs eenmaal smolt, begon het land opnieuw te rijzen. Dat proces duurt vandaag nog steeds voort en heeft geleid tot een uniek landschap van steile rotsen en beboste heuvels, en een zee die overal haar tanden in zet.

Met de draagzak en enkele pampers in de aanslag trekken we eropuit. Vanuit Skuleskogen Nationaal Park turen we over een betoverende archipel van eilanden, bossen en baaien. De combinatie van zee en bergen geeft de regio bijna iets surrealistisch. Alsof de natuur hier niet kon kiezen en uiteindelijk besloot om beide te combineren. Vraag een Zweed naar de mooiste regio van het land en de kans is groot dat vroeg of laat de Hoge Kust ter sprake komt, en dat kunnen we alleen maar volmondig beamen. ‘s Avonds nog even de zonsondergang meepikken vanop een verlaten strandje, met wat gravad lax op je knäckebröd, en dan maar je hoofd breken over hoe verhuizen naar Zweden dan eigenlijk praktisch in zijn werk zou gaan.
Stockholm

Na de Hoge Kusten keren we onze boeg opnieuw zuidwaarts. Het binnenrijden van het kosmopolitische Stockholm bezorgt ons als het ware een cultuurshock; na de afgelopen weken van sacrale stilte in de uitgestorven Zweedse ‘outback’ zou een mens haast vergeten dat er nog andere medemensen op deze planeet rondlopen! Gelukkig voelt de hoofdstad van Zweden, gebouwd op veertien eilanden en omringd door bos en water, opvallend groen, lichtrijk en open aan. Zelfs in de drukste wijken lijken de Zweden ervoor te zorgen dat ze niet al te ver de deur uit moeten voor hun Friluftsliv.

Voor het eerst op onze reis zijn de wegen ook eens vlak genoeg om de buggy boven te halen. We dwalen door de smalle straatjes van Gamla Stan, waar kleurrijke gevels en eeuwenoude gebouwen herinneren aan een rijk verleden. Tegelijk ademt de stad moderniteit. Designwinkels, musea, wijn- en koffiebars en strakke architectuur zijn overal aanwezig.

Wat ons vooral opvalt is hoe vanzelfsprekend kinderen hier deel uitmaken van het stadsbeeld. Overal zien we ouders met kinderwagens, spelende kinderen in parken, en cafés waar niemand vreemd opkijkt van een huilende baby. Het maakt Stockholm bijzonder toegankelijk voor jonge gezinnen. En dat kunnen we eigenlijk van Zweden in het algemeen zeggen. Kinderen maken actief deel uit van het dagelijks leven. Ze mogen ruimte innemen. Een filosofie die we alleen maar kunnen toejuichen.


Natuurlijk ontdekken we hier ook de Zweedse liefde voor fika: een bijna heilig moment waarop koffie en iets zoets belangrijker worden dan eender wat je op dat moment aan het doen was. Met een slapende baby naast ons genieten we van kanelbullar en sterke koffie, terwijl het drukke stadsleven rustig aan ons voorbij gaat. Wie had ooit kunnen denken dat een reis met een baby zo’n relaxerende ervaring zou worden.
Stendörren

Hoe mooi Stockholm ook is, uiteindelijk trekken de weidse bossen en meren opnieuw hard aan onze mouw. Zweden heeft ons ondertussen verwend. Na weken in de rustgevende natuur voelt zelfs een mooie hoofdstad plots een beetje druk. Op nog geen twee uur rijden onder het ‘Venetië van Scandinavie’, aan de rand van de archipel, vind je Stendörren. Eén van Zwedens best bewaarde geheimen. Je slentert er via talloze hangbruggen van het ene piepkleine naar het andere nog piepkleinere eilandje. Het landschap bestaat uit gladde granietrotsen, lage dennenbomen en eindeloze vergezichten over de Oostzee.


Opnieuw ervaren we wat we zo fijn vinden aan Zweden. Hier hoeft de natuur niet spectaculair of overweldigend te zijn. Ze is gewoon toegankelijk. Overal staan picknickbanken. Wandelpaden zijn perfect onderhouden. Er zijn vuurplaatsen waar bezoekers mogen barbecueën… In Zweden vertrouwt men er blindelings op dat elke reiziger de ‘leave no trace’-principes toepast. Het zit zo diep in de Zweedse cultuur verankerd, dat het zelfs een grondwettelijk recht is: het Allemansrätten. Dit ‘allemansrecht’ stelt dat iedereen de absolute vrijheid heeft om van de natuur te genieten. In de praktijk betekent het dat je je ook op alle private grond mag begeven om te wandelen, sporten, kamperen,… Er is maar één belangrijke regel: ‘niet storen, niet vernielen’. Ondanks steeds grotere toeristenaantallen die dit unieke principe hier en daar wat onder druk zetten, blijft het iets ontzettend moois, laat er ons dus een ‘allemansplicht’ van maken om dit in stand te houden!
Småland: als het eens iets ‘meer’ mag zijn

Wie opgroeide met de verhalen van Astrid Lindgren, heeft waarschijnlijk al een beeld van Småland zonder het ooit bezocht te hebben. Dit is het Zweden van rode houten huizen, kronkelende grindwegen, vissen in de kreek en uiteraard ook weer eindeloze bossen. Ook in Småland lijkt het leven een ander tempo te volgen. Kleine dorpjes verschuilen zich er tussen de bomen, mensen zwemmen er vanaf hun houten steigers, en talloze bootjes dobberen rustig op het water.

Zo komen we uit bij het allerlaatste item op onze Zweedse ‘wish list’: varen! Voor een volk dat eigenlijk bekendstaat als ‘stevig met de voetjes op de grond’, vind je de Zweden verbazend veel op het water terug. Zweden heb je dus niet echt ervaren als je het enkel bij de begane grond houdt. Al van in de tijden van de Vikingen hunkeren de Zweden naar hun vaartuigen. Dat mag niet verbazen voor een land met maar liefst 2400 kilometer kustlijn, en daarbovenop bijna 40.000 vierkante kilometer aan binnenlandse waterlichamen. Ze noemen het niet voor niets het land van 100.000 meren.


In Åsnens National Park hijsen we ons met z’n drietjes een kano in en glijden we in alle stilte tussen kleine eilandjes en ontelbaar veel sparren. Ook hier weer bewijst Zweden nog maar eens hoe kinderen een vanzelfsprekendheid zijn in hun samenleving. Waar onze familie en vrienden ons zot verklaren om onze baby in een kano mee op het water te nemen, vinden we op onze camping zonder problemen een zwemvestje in zijn maat. Het avontuurlijke reisleven stopt gelukkig niet als je kinderen krijgt.
Na vier weken onderweg voelt de terugreis bijna onwezenlijk. De kilometerteller staat roodgloeiend van de duizenden nieuwe kilometers die we verzamelden, en zelf zijn we oneindig veel herinneringen rijker. Een eerste reis met een baby is een spannende onderneming. Met een eindeloze lijst aan vragen en onzekerheden waren we dit avontuur begonnen. Maar zoals bij zoveel dingen in het leven, en al zeker bij het ouderschap, ontdek je de meeste zaken meestal pas ergens onderweg. En deze keer mag je dat vooral heel letterlijk nemen. Reizen met een baby, we hadden het nog nooit gedaan, maar het is ons verdomd goed gelukt!